Feiten en Fabels over vaccinatie bij de hond

Feiten en fabels over vaccinaties bij de hondvaccinaties1

Vaccinaties zijn tot op heden nog steeds een essentieel onderdeel in de bestrijding van belangrijke infectieziekten bij de hond. Verschillende ernstige infectieziekten zoals Hondenziekte en Parvo komen hierdoor in Nederland nog maar nauwelijks voor. Maar er is een hevige discussie gaande over waartegen we vaccineren en in welke frequentie. Het standaard jaarlijks vaccineren is niet meer van deze tijd en we streven steeds meer naar vaccinatieschema afgestemd per individu.

In dit artikel spreken we over de vaccinaties tegen de volgende belangrijke infectieziekten: Hondenziekte (Canine Distemper Virus), Besmettelijke Leverontsteking (Canine Adeno Virus type 1), Parvo (Canine Parvo-2 Virus), Ziekte van Weil (Leptospirose), Kennelhoest (Canine Adeno Virus type 2, Parainfluenza Virus en/of Bordetella Bronchiseptica Bacterie) en Hondsdolheid (Rabies Virus).

Ondanks de effectiviteit van vaccineren, wordt het vaccineren de laatste tijd vaak in een negatief daglicht gezet. Wanneer je de fora op internet afstruint durf je je dier al bijna niet meer naar de dierenarts te brengen. Zo zouden vaccinaties levensbedreigende bijwerkingen hebben en is men vaak van mening dat hun bejaarde hond niet meer gevaccineerd hoeft te worden. Daarnaast is er een nieuw fenomeen bijgekomen genaamd ‘titeren’. Dit onderwerp is in het huidige vaccinatiebeleid niet meer weg te denken en er zijn zelfs cursussen in te volgen. Maar hoe zit dit nu allemaal precies?

Vaccinaties zijn vergifvaccinatie

Op internet zijn er veel persoonlijke ervaringen te lezen met betrekking tot de bijwerkingen van vaccinatie. Zo zouden er enkele dieren ernstig ziek zijn geworden en in een uitzonderlijk geval zelfs het overlijden tot gevolg. Deze incidenten vonden plaatst uren tot weken na vaccineren en hierbij is het vaak moeilijk te achterhalen of de vaccinatie inderdaad de boosdoener is geweest. Toch zijn er al heel wat bijwerkingen erkend welke hoofdzakelijk bestaan uit voorbijgaande aspecifieke klachten zoals jeuk, sloomheid en slecht willen eten. Ook schijnen sommige rassen gevoeliger te zijn voor deze bijwerkingen dan andere. Allergieën en auto-immuunreacties ten gevolge van vaccinaties hebben de afgelopen periode de meeste aandacht gekregen. Deze komen echter zeer zelden voor en hier is tevens zeer beperkt bewijs voor gevonden. Deze associatie wordt ook in de humane geneeskunde reeds sterk in twijfel getrokken.

Verschillende studies en onderzoeksgroepen hebben aangetoond dat het voorkomen van een reactie op een vaccinatie, extreem laag is in relatie tot het aantal toegediende vaccinaties. Een grootschalig onderzoek waarin 1,2 miljoen honden zijn opgenomen, toonde aan dat slechts 0,38% last had van bijwerkingen. Vaccinaties kunnen beschouwd worden als een veilige methode in het bestrijden van infectieziekten. Daarnaast is het standaard jaarlijks vaccineren niet meer aan de orde sinds er wetenschappelijk aangetoond is dat er bij een aantal vaccinaties een langere immuniteit wordt opgebouwd (>3-5 jaar). Het gaat hierbij om Canine Parvovirus, Canine Distemper Virus en Canine Adenovirus. Deze worden levend gemodificeerd verwerkt in het vaccin hetgeen leidt tot een langere immuniteit vergeleken met geïnactiveerd vaccins zoals in geval van Leptospirose (Ziekte van Weil). In het huidige vaccinatieschema wordt het levend gemodificeerde vaccin nog maar eens in de drie jaar gegeven wat heeft geleid tot het reduceren van de ‘vaccinatie load’ en daarbij de mogelijke bijwerkingen.

De ziektes komen niet meer voor in Nederland dus vaccineren is overbodig

Zonder vaccinatie zijn Hondenziekte en Parvo bijna altijd dodelijk. Besmettelijke Leverontsteking en Ziekte van Weil zijn vaak dodelijk of laten ondanks behandeling veel schade achter. Rabiës is altijd dodelijk en bovendien is het een zoönose (overdraagbaar tussen mens en dier) en dus ook besmettelijk (en dodelijk) voor mensen. En als laatste is Kennelhoest meestal zelf-limiterend en waarbij zelden antibiotica aan te pas komt.

De ziektes komen niet meer voor juíst omdat we vaccineren. Om deze ziektes de kop in te drukken, moeten we een bepaald percentage van de populatie vaccineren. Epidemiologische data toont aan dat bij een periode van ‘vaccine breakdown’, de betreffende ziekte weer terug opkomt. Zo sloeg in Finland het Canine Distemper Virus (Hondenziekte) weer toe na een periode van verminderd vaccineren. Het is dus van groot belang dat een bepaald percentage van onze hondenpopulatie goed beschermd is.

Mijn hond heeft de Kennelhoest vaccinatie niet nodig want hij gaat niet naar de kennel

Kennelhoest is een besmettelijke ziekte van de voorste luchtwegen. Het complex bestaat uit verschillende virussen en bacteriën welke via direct contact of indirect via de lucht verspreid wordt. Een plek waar intensief contact tussen honden voorkomt en waar dit complex zich dus makkelijk kan verspreiden, is uiteraard in de kennel. Vandaar de naam kennelhoest. Maar dit geldt niet alleen voor de kennel, maar voor elke situatie waarbij er veel contact is tussen honden zoals hondenshows, hondenuitlaatveldjes en hondenuitlaatservices. Om misverstanden te voorkomen heeft deze infectieziekte vorig jaar een nieuwe naam gekregen, namelijk ‘Besmettelijke Hondenhoest’.

Mijn dier is gevaccineerd en kan dus niet ziek worden

Een pup is gemiddeld op een leeftijd van 14 weken beschermd tegen de infectieziekten waartegen we standaard vaccineren. Vóór deze periode maakt de pup antilichamen aan als reactie op de 3 opvolgende vaccinaties op 6, 9 en 12 weken leeftijd. Eerder beginnen met vaccineren heeft geen zin omdat een gemiddelde pup voor deze tijd nog antilichamen uit de moedermelk bezit, waardoor de pup zelf nog geen immuniteit hoeft op te bouwen. Rond 6 weken is er sprake van een zogenaamde ‘immunity gap’. Dit is de periode waarop de antistoffen van de moeder, doorgegeven via de moedermelk, afnemen en de pup zelf nog niet voldoende immuniteit heeft opgebouwd (zie figuur 2). In deze periode is de pups dus nog onvoldoende beschermd en dus vatbaar voor infectieziekten. Wanneer deze periode exact plaatsvindt kan verschillen per pup. Dit hangt af van: enerzijds de afweer en de hoeveelheid melk van de moeder en anderzijds de opname en de afweer van de pup. We stellen gemiddeld dat deze dieren rond 13-14 weken voldoende beschermd zijn, maar dit is een gemiddelde en niet iedere pup zal hieraan voldoen. Om dit te controleren zou je voor sommige infectieziekten een titer-bepaling kunnen uitvoeren (zie beneden). Voldoende hoge titers betekent helaas niet dat het dier nooit deze ziektes kan krijgen, maar het dier is er een stuk minder vatbaar voor.

Titeren is een alternatief voor de jaarlijkse vaccinatievaccinaties2

De term ‘titeren’ is inmiddels helemaal ingeburgerd. Titeren is bepalen van de titer van antistoffen in het bloed. De hoeveelheid en de duur van de antistoffen kan namelijk per individu sterk verschillen. Vandaar dat sommige landen een titer-bepaling eisen in plaats van alleen een bewijs van vaccinatie. Er bestaat dus eigenlijk geen ‘standaard’ vaccinatieschema toepasbaar op iedere hond.

Dit klinkt als een veilig alternatief voor het huidige standaard vaccinatieschema, maar titeren is alleen zinvol wanneer er een goede correlatie bestaat tussen de hoeveelheid opgebouwde antilichamen en de mate van bescherming. Dit betekent dat het bekend moet zijn bij welke titer er sprake is van voldoende bescherming. Dat is in het geval van Hondenziekte, Parvo, Rabies en Besmettelijke Leverontsteking. Voor deze laatste geldt dat we helaas geen onderscheid kunnen maken tussen Adenovirus 1 en 2, respectievelijk Besmettelijke Leverontsteking en Kennelhoest. Hier geldt echter dat een lage titer mogelijk duidt op afwezigheid van bescherming. Voor de andere vaccins is titeren zinloos gezien de antilichaam-titers of slechts kort bestaan of omdat er geen correlatie is gevonden tussen de titer en de mate van bescherming.

Bedenk goed dat titeren dus geen alternatief is voor vaccineren, maar het kan gebruikt worden om de frequentie en tijdstip van vaccineren te specificeren. Dan volgt de vraag: wanneer ga je titeren? Het is niet bekend hoelang de titers op niveau blijven. Gezien we tegenwoordig uitgaan van een bescherming van minimaal 3 jaar, zou je dus om de drie jaar een bloedtest kunnen laten uitvoeren voor Hondenziekte en Parvo om te controleren of jouw trouwe viervoeter nog voldoende beschermd is. Helaas blijft de immuniteitsstatus voor Leptospirose en Kennelhoest nog steeds onbekend. Overleg dus goed met je dierenarts wat voor jouw dier het best van toepassing is. Verder kan titeren ook bijzonder zinvol zijn om de respons van een vaccinatie te controleren, bijvoorbeeld na de derde puppyenting.

Samenvattend verdient een vaccinatieschema op maat (bijvoorbeeld met behulp van titer-bepaling) op dit moment nog steeds de voorkeur. Het is aan de dierenarts en eigenaar om in overleg te bepalen welke vaccinaties er op welk moment nodig zijn.

Door Drs. Jos Bongers

Bronnen

Horzinek M.C. (2006), ‘Vaccine use and disease prevalence in dogs and cats’, Veterinary Microbiology 117(1):2-8

Day M.J. (2006), ‘Vaccine side effects: Fact and fiction’, Veterinary Microbiology 117(1):51-8

KNMvD (2013), ‘Standpunt KNMvD over jaarlijkse hervaccinaties van gezelschapsdieren’, https://www.knmvd.nl/over-ons/standpunten/item/10834966/Standpunt-over-jaarlijkse-hervaccinaties-van-gezelschapsdieren

Moore G.E. et al, (2005), ‘Surveillance and indcidence and risk factors for vaccine asociated adverse events. In: Proceedings of the 142nd Convention of the American Veterinary Medical Association.

Vetidin, http://www.vetined.nl/news/38/show