24/7 bereikbaar
+31 (0) 497 518000

Risico’s bij de narcose

Risico’s bij de narcose

Bron: Onze Hond 2002
Auteur: Maarten Kappen

Het begrip narcose roept bij vele eigenaren van honden gevoelens van angst op. Verhalen doen de ronde over dieren die tijdens of na een ingreep ‘erin blijven’, ofwel niet meer wakker worden. Ook hoor je beschrijvingen van honden die een dag of meer nodig hebben gehad om weer goed bij te komen. Er zijn ook vele rassen waaraan, al dan niet terecht, door hun baasjes een groter risico wordt toegedicht als ze onder narcose gebracht moeten worden. Het is een gegeven dat iedere procedure of ingreep waarbij een vorm van narcose of beter gezegd anesthesie gegeven wordt een zeker (klein) risico met zich meebrengt op een van de hierboven genoemde zaken. Wat de belangrijkste factoren zijn waardoor we dit risico tot een minimum kunnen beperken zal ik hieronder trachten uiteen te zetten.

operatie_1

Operatiekamer van de kliniek met anesthesie- en bewakingsapparatuur.

Allereerst moeten we onderscheiden wat de mogelijke doelen zijn die we met de anesthesie willen bereiken. Wil je alleen een dier dat rustig en kalm blijft bij bepaalde onderzoeken zoals bij het nemen van bepaalde röntgenfoto’s dan kun je volstaan met een relatief simpel kalmerend middel. Je schakelt een stukje bewustzijn uit en de hond beweegt zich minder. Men noemt dit een sedatie. Wil je meer doen, zoals bijvoorbeeld een gebit van een hond saneren inclusief het verwijderen van enige losse tanden, dan zul je een naast het stil blijven liggen ook een goede pijnstilling voor de hond willen hebben. Als je vervolgens een operatieve ingreep wilt verrichten, zoals bijvoorbeeld een castratie van een reu, dan moet de hond stil blijven liggen gedurende langere tijd, ondertussen geen diepe pijn meer kunnen voelen, en zullen alle vitale lichaamsfuncties optimaal gewaarborgd moeten zijn. Men spreekt dan van algehele anesthesie. Naarmate er verdergaande operatieve ingrepen plaatsvinden worden de eisen steeds uitgebreider en de algehele anesthesie kan hierop worden aangepast. Je kunt hierbij nog denken aan extra spierverslapping voor orthopedische operaties of mechanische ventilatie voor operaties in de borstholte. Het voert te ver om al deze specifieke situaties te beschrijven.

Belangrijk is dus dat de anesthesie is toegesneden op het type ingreep. Is dit niet het geval dan kun je dus situaties krijgen waarbij een relatief te veel (belasting van het dier en extra risico) of te weinig (het dier is niet voldoende rustig of voelt het toch nog) leidt tot problemen.

De algehele anesthesie combineert een uitschakeling van het bewustzijn van het dier, met een verregaande graad van gevoelloosheid en een onvermogen om zich te bewegen. Dit wordt bereikt door een combinatie van middelen toe te dienen gedurende verschillende tijdsfasen. Daarnaast wordt ter ondersteuning van de ademhaling en de bloedcirculatie extra zuurstof toegediend en een infuus aangebracht. De lichaamstemperatuur wordt op peil gehouden door isolerende of warmtetoevoerende kussens te gebruiken.

Tijdens de anesthesie worden allerlei lichaamsfuncties gecontroleerd zoals diegenen die met het hart te maken hebben (ECG, polsfrequentie, zuurstofgehalte van het bloed) met de longen (CO2 gehalte uitademingslucht, ademfrequentie, kleur van de slijmvliezen), en de lichaamstemperatuur. Ook de gehaltes aan in- en uitgeademde gasvormige anesthesiemiddelen kunnen gemeten worden. Door deze continue bewaking creëer je een hoge mate van veiligheid; zou er iets mis gaan dan kun je direct en adequaat reageren.

De anesthesie moet niet alleen toegesneden zijn op het type ingreep maar ook op de individuele patiënt. Wat nu zijn de zaken die hierbij van belang zijn? De simpelste en meest voor de hand liggende factor is hierbij het lichaamsgewicht. Alle toe te dienen hoeveelheden van de middelen welke we gebruiken geven we per kg lichaamsgewicht. Vooraf wegen is een must! De doseringen gaan niet lineair omhoog met het toenemen van het lichaamsgewicht, dus daar moet ook rekening mee gehouden worden. Een hond van 50 kg krijgt niet een 10 maal zo hoge dosering als een hond van 5 kg, doch veel minder. Dit heeft te maken met het feit dat we eigenlijk het zgn. metabole gewicht zouden moeten gebruiken als richtlijn en niet het pure lichaamsgewicht.

Een ander belangrijk punt is de leeftijd van de hond. Pups hebben in het algemeen een slechter ontwikkeld ontgiftingsvermogen als de volwassen honden, dus het effect van een anesthesiemiddel is potentieel langduriger. Bij hele oude honden kunnen allerlei lichaamsfuncties minder goed zijn (hart, lever, nier) welke weer van invloed kunnen zijn op de effect van de anesthesie.

Ook het ras van de hond kan van belang zijn. Te denken valt aan de windhonden. Bij dit ras kunnen bepaalde middelen niet gegeven worden omdat er een andere omzetting plaatsvindt. Van een aantal andere rassen zijn ook middelen bekend welke beter niet gegeven kunnen worden (Sharpei, Collies en Shelties). Bij de tweede groep kun je denken aan de bulldogachtigen met hun verkorte voorste luchtweg en vaak relatieve nauwe luchtpijp. Dit vereist extra voorzorgsmaatregelen om de zuurstofvoorziening tijdens en direct na de anesthesie te waarborgen.

Bepaalde specifieke aandoeningen waaraan de individuele patiënt kan lijden vereisen speciale middelen. Bij honden waarvan bekend is dat ze epileptiforme aanvallen hebben gehad in hun leven kan men bepaalde middelen niet geven. Is er sprake van een hartaandoening dan dient men een anesthesieprotocol te gebruiken met middelen die zo min mogelijk belastend zijn voor de hartfunctie. Door anesthesiologen is een schaalverdeling opgesteld met 5 verschillende risicogroepen afgaande op de ernst en type van de afwijkingen bij ieder van deze groepen (ASA 1 t/m 5, waarbij ASA 1 de gezonde patiënt vertegenwoordigt en ASA 5 de patiënt met ernstig hart-, lever- of nierfalen).

Door middel van een uitgebreid pre-anesthetisch onderzoek voorafgegaan door het stellen van een aantal gerichte vragen aan de eigenaar van de hond kun je de bovenstaande punten afchecken en een onderzoek doen naar de lichaamsfuncties welke van belang zijn voor de anesthesie. Eventueel kun je dit uitbreiden met een gericht bloedonderzoek, wat vooral bij oudere honden vaker gebeurt.

Resumerend denk ik dat enerzijds de tijd van even snel een spuitje geven om de hond in slaap te brengen voorbij is, indien men dit toch doet neemt men onverantwoorde risico’s, en anderzijds dat de huidige methodieken van gecontroleerde algehele anesthesie voorafgegaan door een gedegen pre-anesthetisch onderzoek het risico voor de patiënt tot een minimum beperken.

Back to Top